Ga terug naar de vorige pagina.
 

 Van stadsweide tot stadswijk. 350 jaar Venserpolder 1638-1988
door Jan Blom, in: Ons Amsterdam (41,12), december 1989. Stadsdrukkerij Amsterdam



Dit is de voorlaatste versie van het gedrukte artikel. De auteur beschikt niet over een digitaal bestand van de op papier gedrukte versie. Deze laatste digitale versie bevat de aan de redactie geleverde tekst en bijschriften. In de gedrukte versie van het artikel zijn door de eindredactie wijzigingen en aanvullingen aangebracht zoals kopjes, opmaak, paginering en illustraties. 
De tekst is uitsluitend bedoeld voor de individuele gebruiker. Distributie van de tekst is niet toegestaan. Overname van delen van dit artikel is alleen toegestaan met uitdrukkelijke bronvermelding. Gehele overname van deze digitale versie is alleen mogelijk na uitdrukkelijke toestemming van de auteur.



Tussen de Bijlmermeer en Duivendrecht ligt de nieuwbouwwijk Venserpolder, in de periode 1982-1986 gebouwd naar een ontwerp van architect Carel Weeber. Vrijwel niets herinnert meer aan het polderverleden: alle boerderijen en huizen, wegen en bomen uit die tijd zijn verdwenen.


Ook het verleden van woon-, en kantoorwijken buiten het oude stadscentrum kan boeiend zijn en verdient meer bekendheid. Een voorbeeld is de nog jonge nieuwbouwwijk Venserpolder in het stadsdeel Zuidoost en Bergwijkpark in Diemen Zuid. Dit gebied ligt tussen de hoogbouw van de Bijlmermeer en de oude woonkern Duivendrecht. Er zijn geen waarneembare overblijfselen meer uit het verleden toen dit gebied nog een polderlandschap was. Alle boerderijen en huizen die er stonden, wegen en bomen zijn allemaal verdwenen. In boeken, archieven en op kaarten kunnen we nog iets achterhalen van het leven dat boeren en arbeiders hier vroeger leidden. Er blijkt dan dat een poldergeschiedenis nog hele interessante wetenswaardigheden bevat. De historie van de Venserpolder is niet alleen de laatste decennia, maar al eeuwen nauw met die van Amsterdam verbonden.











Alleen de namen van de metrostations zijn nog herinneringen aan het verleden van de wijk. Omdat we over de eerste naam kort kunnen zijn, komt deze eerst aan de orde. Het is bekend dat "Strandvliet" de naam was van een landhuis of boerderij even buiten het gebied van de Venserpolder. Op een gemeentekaart van Ouderamstel uit 1869 komt de naam voor bij een huis ten zuiden van de kerk van Duivendrecht, dicht tegen de spoorbaan aan. Dit huis en vele andere huizen aan de Rijksstraatweg in Duivendrecht moesten plaats maken voor de aanleg van de metrolijn in de richting Gaasperplas. Voordat deze huizen gesloopt werden heeft J. Stam veel van deze huizen gefotografeerd. Strandvliet blijkt daarop een van de grote boerderijen geweest te zijn met een stal voor meer dan 50 koeien. De Raad van de gemeente Ouderkerk heeft in 1971 in een presentatie van het plan voor het metrostation aan de burgemeester en wethouders van Amsterdam de naam Strandvliet aan het metrostation gegeven. Bij dit station komt misschien een nieuw voetbalstadion.
De Venserpolder was oorspronkelijk de naam van een polder die zich uitstrekte over een veel groter gebied dan de tegenwoordige woonwijk. Tot de polder behoorden ook Duivendrecht-Oost en Diemen-Zuid met het industriegebied Verrijn Stuart. Vanouds werd het omsloten door de (rijks)straatsweg van Duivendrecht naar Abcoude, de Weespertrekvaart en de ringsloot van de Bijlmermeer. In de middeleeuwen stond het district, waarin de Venserpolder lag, bekend als Sodwech, Zoodweg of Zuwe.  De landen van dit district waren wel tegen het water van de Amstel beschermd door zomerkaden, maar lagen toch gedurende een groot deel van het jaar blank. Pas met de vorming van een polderbestuur door ingelanden kon met kracht tegen het water worden opgetreden.

De geschreven geschiedenis van de Venserpolder gaat evenals vele andere polders in Holland terug tot in de 17e eeuw. In het gebied rond Amsterdam werden in die eeuw vele drassige velden en andere waterrijke oorden voor veeteelt en bewoning geschikt gemaakt, o.a. voor de voedselvoorziening van de snelgroeiende stad Amsterdam, waar in 1670 al ca. 200.000 mensen woonden. Boter en kaas waren hoofdproducten van de weidestreken van Holland.  De windbemaling in het waterrijke Amstelland volgde die van benoorden het Y, maar rond 1650 was al het daarvoor in aanmerking komende land bemalen. Op oude kaarten is nog goed te zien dat de Venserpolder in de 17e eeuw nog als het ware een eiland was tussen het Diemer-of Watergraafsmeer aan de noordzijde en het Bijlmermeer aan de zuidzijde. Pas als gevolg van de bemaling werd het mogelijk om de Venserpolder als weidegebied, als toeleveringsgebied dienstbaar te maken voor Amsterdam

Voor het gebruik van de polder is controle van de waterhuishouding een eerste vereiste. Om de Venserpolder tegen het steeds weer opdringende water te beschermen hadden enkele ingelanden toestemming gekregen voor de bedijking en bemaling van hun land. Dit gebeurde door middel van een octrooi, een officiële machtiging, van de Staten van Holland en West-Friesland, die hier in het gewest het hoogste gezag uitoefenden en niet de stad Amsterdam. Wagenaar gaf zelfs de volledige tekst van dit belangrijke document voor de geschiedenis van de Venserpolder. In het octrooi van 1638 stond, zoals gebruikelijk, uitgebreid beschreven wat de problemen met het water waren en welke bevoegdheden de ingelanden kregen om het overtollige water buiten de Venserpolder te houden. De ingelanden betaalden daarvoor belasting. Andere polders in de omgeving kregen op deze wijze ook toestemming hun land te bemalen.
De molen die voor de bemaling van de polder zorgde was er een van het type windschepradmolen. Deze stond aan de noordzijde bij de Weespertrekvaart, aan de overzijde van de ringsloot om de Watergraafsmeer. De afmetingen van de molen zijn nog bekend: een vlucht van 25 meter en een scheprad van 6 meter middellijn, met schoepen van 0,50 meter breedte. Ook nu staat het onderstuk van de molen nog op deze plaats in Diemen-Zuid. Op het rietdek staan nog de jaartallen van de vernieuwing in 1704 en 1934. In 1917 werd in de romp van de molen een draaistroomelectromotor geplaatst. De wieken en de kop werden in 1930 verwijderd. De bekende fotograaf Jacob Olie heeft nog in 1893 een foto gemaakt van deze molen.
Al lang voor de opname van de Venserpolder in de gemeente Amsterdam lagen er belangrijke toegangswegen van en naar de stad over en langs het grondgebied van de polder. Trekschuiten maakten al heel vroeg gebruik van de Weespertrekvaart voor vervoer van en naar Amsterdam. De verharde weg van Duivendrecht naar Abcoude, op de route van Amsterdam naar Utrecht, werd voor rekening van de stad Amsterdam onderhouden. Voor deze werkzaamheden kreeg ook de stad in 1685 een octrooi van de genoemde Staten van Holland. Passanten moesten voor het gebruik van deze weg tol betalen. Het tarief was bijvoorbeeld 8 stuivers voor iedere persoon en ieder paard en wagen. De betaling moest plaatsvinden voor het openen van het tolhek bij de brug over de Diemer ringsloot. Wie weigerde te betalen werd aangehouden tot de tol betaald werd. Weerbarstigen hing een hoge geldboete boven het hoofd. De omwonenden werden van tolbetaling vrijgesteld.
Verderop bij de ringsloot van de Bijlmer moest wederom tol betaald worden voor een volgend traject. Van het zuidwesten naar het noordoosten doorkruiste de Ouderkerker-of Diemerlaan de Venserpolder; het was de verbinding van Diemen naar Ouderkerk. In de tweede helft van de 19e eeuw was het deel van de rijksstraatweg tot Diemen nog een onverharde weg. Het gebied van de Venserpolder behoorde sedert 1731 tot het rechtsgebied dat indirect door de stad Amsterdam bestuurd werd. Vanwege deze relatie van de Venserpolder met Amsterdam besteedde de bekende 18e eeuwse  stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar ook aandacht aan deze polder. De burgemeesters van Amsterdam zorgden tot het begin van de 19e eeuw indirect ook in de Venserpolder voor de uitoefening van het gezag en voor de handhaving van orde en veiligheid.
Het duurde tot het midden van de vorige eeuw voor er een uitbreiding plaats vond van voorzieningen in de Venserpolder ten behoeve van Amsterdam. De spoorweg van Amsterdam-Utrecht was een van de eerste en belangrijkste lijnen in Nederland. Deze is nu al meer dan een eeuw in gebruik. Omdat de spoorweg langs de polder liep en er toen ook geen station was veranderde de spoorweg weinig aan het plattelandsleven, afgezien van de regelmatig voorbij rijdende stoomtreinen. Later werden nog aftakkingen gemaakt vanaf Diemen in de richting Abcoude, rond de kerk van Duivendrecht en nog later van Abcoude naar Diemen
Een andere voorziening voor de hoofdstad lag op het gebied van de verdediging van de stad. Als gevolg van de Vestingwet werden na 1875 een groot aantal forten om Amsterdam aangelegd, o.a. bij Abcoude. Voor de noodzakelijke voorziening van munitie werd in de Venserpolder een buskruitmagazijn gebouwd, ten zuiden van het tegenwoordige verzorgingshuis. De munitie lag in loodsen die voor de veiligheid omgeven waren door een ringsloot. In 1968 werd het fort gesloopt ten behoeve van de stadsuitbreiding van Amsterdam in de Bijlmermeer.

In een bekende gemeenteatlas uit 1869, op een luchtfoto van de KLM van mei 1939 en op een topografische kaart uit 1949 zijn duidelijk de genoemde verbindingslijnen te zien. De uitgestrekte weilanden in de voormalige Venserpolder lagen aan weerszijden van de Ouderkerkerlaan. Een twintigtal vertikaal lopende sloten stond haaks op deze onverharde laan. Een drietal sloten liep er evenwijdig mee. Aan het latere Amsterdamse deel van deze weg lag slechts één boerderij met een naam: "Zorg en Hoop". Ook deze boerderij is voor de sloop gefotografeerd. Andere naamloze huizen lagen op terpachtige verhogingen dicht bij elkaar vlak bij de spoorlijn, in het verlengde van de Rijksstraatweg, op de kruising met de Ouderkerkerlaan. Al met al zullen er op het gebied van de tegenwoordige nieuwbouwwijk niet veel mensen gewoond hebben en waren zij voor werk en andere voorzieningen aangewezen op omliggende dorpen en Amsterdam.

Het grondgebied van de tegenwoordige woonwijk Venserpolder behoorde sedert de Franse tijd tot de gemeente Weesperkarspel. De rest van de polder viel deels onder de gemeenten Diemen en Ouderamstel. Deze situatie heeft zo voortbestaan tot de opheffing en opsplitsing van de gemeente Weesperkarspel per 1 augustus 1966 en was definitief in 1978. De Venserpolder lag helemaal aan de uiterste noordwestelijke zijde van de gemeente, dicht bij Amsterdam.  Voor gemeentezaken moesten de bewoners naar het gemeentehuis dat in Weesp stond.

Om een globale indruk te krijgen, niet meer dan dat, van het leven van de bevolking in deze plattelandsgemeente kan men de toestand van de gemeente in een willekeurig jaar in de vorige eeuw bekijken. Wat het exacte aandeel van de Venserpolder in het totaaloverzicht van de gemeente Weesperkarspel was is moeilijk te zeggen. Het aandeel van de Venserpolder zal in ieder geval niet groot geweest zijn omdat de oppervlakte van de polder maar een klein deel van de gemeente uitmaakte.  Toch geven deze historische feiten een impressie van de situatie op het platteland in en rond de Venserpolder.
In 1870 bijvoorbeeld woonden in de gemeente Weesperkarspel in totaal 1920 personen op een oppervlakte van 4688 hectaren. De middelen van het bestaan vond de bevolking voornamelijk in de veeteelt. In 1870 telde de gehele gemeente 3083 melkkoeien en melkvaarzen, 733 kalveren en pinken, 711 schapen, 2143 stuks pluimvee en verder nog wat ander vee.  Volgens opgave van de gemeente werden 55 hectaren gebruikt voor het planten van haver en 49 hectaren voor aardappelen.  Tuinbouw en bloemkweek was in de gemeente van weinig betekenis omdat de tuinvruchten voor eigen gebruik geteeld werden.  Handel was onbeduidend. In 1880 werd er door 28 personen een vak uitgeoefend als handwerker: 14 waren timmerman, waarvan 4 kinderen. In de gehele gemeente was maar één kerk, één veldwachter en één lagere school met 340 leerlingen. Volgens de belastingkohieren van de hoofdelijke omslag werden er in totaal 146 personen aangeslagen voor het bedrag van f 1255,-, hetgeen een gemiddelde betekende van ca. f 8,-; de drie hoogstaangeslagenen betaalden f26,-.
Het gemeenteverslag van 1870 is kort en krachtig over de armoede: "Dat dezelve als gunstig kan worden beschouwd uit hoofde de inwoners meestal bestaan uit veehouders, alwaar de werkzame mindere man steeds werk vindt." Vergelijking van deze cijfers met die over andere jaren en met die van omringende gemeenten is op zichzelf interessant maar zou in dit verband te ver gaan.
Her en der in archieven liggen nog genoeg gegevens om deze geschiedenis  verder aan te vullen en uit te diepen. Men kan van jaar tot jaar  uitzoeken wie de bewoners precies waren, hoe hun gezinssamenstelling, en wat hun godsdienst, inkomen, werk en de grootte van hun land was. Mogelijk hebben zich voor de autoriteiten bijzondere gevallen en conflicten voorgedaan waarin de bewoners betrokken waren. Mogelijk deden zich in de loop van de eeuwen uitzonderlijke omstandigheden voor als overstromingen, ziekten van mens en dier, die allemaal nog het vermelden waard zijn.
Nu kan reeds geconcludeerd worden dat waar vroeger in de Venserpolder vee voor de Amsterdammers graasde, nu meer mensen bij elkaar wonen dan er ooit aan koeien bij elkaar hebben kunnen grazen.

Jan C.A.Blom, Amsterdam, augustus 1989

Literatuur.
J. Wagenaar. Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, geschiedenissen, enz. 1760-1768 Amsterdam
J. Kuyper. Gemeente-atlas van Nederland. Noord-Holland. (1869) Leeuwarden
G. de Vries, Az. De zeeweringen en waterschppen van NoordHolland. 1894 Haarlem
J.H. van den Hoek Ostende. Poldermolens rond Amsterdam, in: Jaarboek Amstelodamum 1978
De molens van Amsterdam in oude ansichten. Deel 3. J.H. van den Hoek Ostende. 1983 Zaltbommel
Diemen buyten Amsterdam. Redaktie J.Mulder, H.Blok en K. van Reenen. 1987 Diemen
 

Bijschriften bij afgedrukte illustraties op pag.288-291.
Fragment van de Venserpolder uit een topografische kaart van het baljuwschap Amstelland door Is. Tirion (18e eeuw).

Kaart uit 1869 van de plattelandsgemeente Weesperkarspel met aan de uiterste noordwestelijke zijde het deel van de Venserpolder waar nu de nieuwbouwwijk is.

Foto uit 1893 van Jacob Olie met in het midden de molen van de Venserpolder aan de ringsloot van de Watergraafsmeer. Rechts staat de recent afgebroken kerk van Diemerbrug.

Luchtfoto uit 1939 met de huizen en weilanden die plaats moesten maken voor de stadsuitbreidng van Amsterdam.

Foto uit 1968 van de boerderij Zorg en Hoop aan de Diemerlaan 39 voor de afbraak door J. Stam.

Foto uit 1968 van Strandvliet aan de Rijksstraatweg 110 in Duivendrecht voor de sloop voor de metro door J. Stam

Foto uit 1968 van het fort waar het buskruitmagazijn was.

Alle foto's in de Atlas van Gemeentearchief Amsterdam