Eerst heb je een Regelmatig werkwoord nodig die eindigd op -ar: Trabajar = Werken
Haal dan -ar van het werkwoord af en je krijgt de "stam": Trabajar - ar = Trabaj...
Dan zet je de onderstaande uitgang van "yo" (ik) erachter: Trabaj...+ o = Trabajo
Trabajo en el supermercado. Ik werk in de supermarkt.
Hieronder staan alle uitgangen op een rij: -o
-as
-a
-amos
-áis
-an
De vervoeging van Trabajar & Hablar: Waar het onderstreept is daar moet je het accent leggen in de uitspraak.
Trabajo
Trabajas
Trabaja
Trabajamos
Trabajáis
Trabajan
ik werk
jij werkt
hij/zij/u werkt
wij werken
jullie werken
zij werken
Hablo
Hablas
Habla
Hablamos
Habláis
Hablan
ik praat
jij praat
hij/zij/u praat
wij praten
jullie praten
zij praten
Voorbeeld van een conversatie:
Claudia
Juan
Claudia
Juan
Claudia
Juan
Claudia
Hola ¿Cómo estás?
Muy bien, gracias.
¿Dónde trabajas?
Trabajo en el hospital, ¿y tú?
Trabajo en un banco.
Hasta luego
Hasta mañana
Woordenschat: muy bien = heel goed
Dónde = waar
en = in
el hospital = het ziekenhuis
y = en
tú = jij
un banco = een bank
Hasta luego = tot ziens
Hasta mañana = tot morgen